Make your own free website on Tripod.com
 
Het belang van de Šahâdah
Door: Ustâdz Abû Hudzayfah
Kennis en begrip

De islâm is een heel bijzondere godsdienst met een aantal bijzondere kenmerken. Eén van die bijzondere en tevens belangrijke kenmerken is het feit, dat de islâm de gelovigen verbiedt om anderen te dwingen de islâm aan te nemen of na te leven. Allâh heeft dit als volgt geopenbaard:“Er is geen dwang in de godsdienst.”(Q Al-Baqarah 2:256)
Dit betekent echter niet, dat we daarom geen da'wah (oproepen tot de islâm) zouden mogen doen. Integendeel, dit is juist een ander belangrijk kenmerk van de islâm, mits het op de juiste manier gebeurt. Dat wil zeggen, dat we rechtvaardig en volledig zijn over wat islâm is, zonder dingen weg te laten of erbij te verzinnen, zijn tegenover en niet lukraak maar op een wijze manier. 

Dan heeft onze dacwah in šâ’ Allâh effekt met als eerste resultaat een beter begrip over de islâm. Dit begrip komt voort uit een grotere kennis over de geloofsbeginselen van de islâm. Hoe meer kennis iemand heeft over de islâm, des te makkelijker is het om te begrijpen wat hem te doen staat en bewust te worden wat zijn verantwoordelijkheden in dunyâ (het aardse leven) zijn. Daarom In de Qur’ân wordt veelvuldig benadrukt hoe belangrijk het is om kennis en daarmee begrip te verwerven. 

Allâh zegt bijvoorbeeld: “Degenen die geloven weten dat het de waarheid afkomstig van hun Heer is.” (Q Al-Baqarah 2:26) Allâh richt zich ook veelvuldig tot ‘mensen van verstand’, ‘zij die nadenken’, enzovoort. Allemaal aansporingen om onze verstandelijke vermogens te gebruiken en zo ons begrip te vergroten. Een goed begrip van de islâm begint met een goed begrip van de eerste zuil: de šahâdah ofwel de geloofsgetuigenis. 

Allâh zegt: “En weet dus dat er geen god is dan Allâh.” (Q Muhammad 47:19)
Met feit dat Hij ‘weet’ zegt bewijst Allâh duidelijk dat de basis van de geloofsgetuigenis kennis is. Kennis zal begrip voortbrengen en begrip is het bewijs van bewustzijn. Om het bewustzijn omtrent ons geloof te vergroten en tot bloei te brengen is het daarom noodzakelijk te proberen de betekenis van de šahâdah te doorgronden. Zodanig dat we gaan beseffen wat onze taken en verplichtingen tijdens het aardse leven zijn en we in âkirah in šâ’ Allâh in staat zijn ons aardse leven te verantwoorden.

Toegang tot de islâm
Voordat we kunnen beginnen aan het doorgronden van de betekenis van de šahâdah is het belangrijk te begrijpen waarom die šahâdatayn  nu zo belangrijk zijn. Wat maakt de woorden van de geloofsgetuigenis: ‘Ašhadu allâ ilâha ill Allâh wa ašhadu anna Muhammadar Rasûlullâh’ nu zo bijzonder dat ze zelfs de eerste zuil van de islâm vormen? Daarom moeten we eerst weten wat de algemene kenmer-ken van de šahâdah zijn. 

1. De geloofsgetuigenis is de ‘madkal ilâ ‘l-islâm’, dat wil zeggen de toegangspoort tot de islâm. 
Als iemand de geloofsgetuigenis bevestigt is dat het bewijs van zijn îmân (geloof), zonder dat het precieze details geeft over de inhoud van zijn geloof op de verschillende geloofsgebieden. Als een niet-muslim deze woorden bevestigt, dan is dat het bewijs van zijn of haar terugkeer naar de islâm. En er volgen automatisch zijn hernieuwde gehoorzaamheid aan de islâm en zijn nieuwe rechten en plichten als muslim uit en vanaf dat moment beschermen de wetten van de islâm zijn bezit, bloed en eer. De šahâdah is de sleutel tot Jannah (het Paradijs) en een garantie dat onze zonden niet tot in alle eeuwigheid in Jahannam bestraft zullen worden. 

Rasûlullâh s.a.w heeft hierover gezegd: -‘Getuig dat er geen god is dan Allâh en dat ik de Boodschapper van Allâh ben en een dienaar die over deze woorden niet twijfelt, zal Allâh niet ontmoeten (sterven) of hij zal hierdoor Jannah binnengaan. (Muslim) Verder is overgeleverd, dat de Profeet s.a.w zei: -‘Wie getuigt dat er geen god is dan Allâh en dat Mu?ammad zijn Boodschapper is, hem zal Allâh weghouden van het Vuur.’ (Muslim) Als iemand muslim wil worden hoeft hij niet eerst een uitgebreide catechismus te kennen, moeilijke inwijdingsrituelen te doorstaan of een lange studie te doen. Het feit dat het bevestigen van de šahâdah genoeg is om weer tot de islâm toe te treden, is het bewijs van de wijsheid van Allâh. 

Het is voor hem uitermate belangrijk te beseffen wat het belang van de šahâdah is, omdat hij goed moeten weten waar hij aan beginnen als hij deze kalimah bevestigt. Op geloofsafval (irtidâd) staat immers de doorstraf.  Het belangrijkste is nog wel, dat de šahâdah een keerpunt in ons leven betekent: van kufr (ongeloof) naar îmân (geloof). Dit is de belangrijkste stap die iemand ooit kan nemen en een onvergetelijke gebeurtenis. Dit was ook zo voor Abû Madhûrah r.a, een metgezel en mu’adzin van de Profeet s.a.w. Hij herinnerde zich tot het eind van zijn leven hoe hij muslim werd. 

Op een dag had Rasûlullâh s.a.w zijn hand op het voorhoofd en de voorhoofslok van Abû Madhûrah gelegd, met zijn hand over zijn borst gewreven en du'â’ gedaan, om zijn hart open te stellen voor de leiding van Allâh. Hierop werd hij muslim. Lange tijd daarna vroeg zijn kleinzoon waarom hij zijn haar liet groeien en niet knipte. Hij antwoordde: ‘Ach, hoe kan ik ooit vergeten hoe Rasûlullâh s.a.w zijn hand op mijn voorhoofd en haar legde  en dat ik toen hidâyah (leiding) kreeg. Voor de meeste muslims geldt, dat ze in de islâm zijn opgegroeid. Dat we altijd op Zijn pad gebleven zijn is reden voor grote dankbaarheid. En deze dankbaarheid dient een drijfveer te zijn om ons in te spannen onze islâm te onderhouden. 

De kern van de islâm
2. De getuigenis is de kulâshah ta'lîm al-islâm: de essentie van de islamitische leer
Het is van belang, dat elke muslim dit beseft. Het eerste deel ‘Ašhadu allâ ilâha ill Allâh’ eist van ons iklâsh (zuiver geloof in Allâh Alleen) en 'ibâdah (aanbidding) van Allâh als Enige, zodat al onze daden voortkomen uit nederige aanbidding ('ubûdîyah).  Het tweede deel van de getuigenis ‘ašhadu anna Muhammadar Rasûlullâh’ wijst erop, dat we begrijpen dat we aan Rasûlullâh s.a.w het beste voorbeeld hebben voor het vervullen van de 'ubûdîyah aan Allâh en de islamitische leefregels, want Profeet Muhammad s.a.w heeft ons voorgeleefd hoe we daar invulling aan moeten geven. Hierop doelt Allâh als Hij zegt:

Zeg: Ik ben slechts een mens net als jullie, maar aan mij is geopenbaard dat jullie God Eén God is. En wie de ontmoeting met zijn Heer wenst, laat hem dan rechtschapen werken doen en in de aanbidding van zijn Heer nie-mand als deelgenoot maakt.(Q 18:110) Uit deze âyah blijkt dat er twee voorwaarden zijn waaraan een dienaar van Allâh moet voldoen om zijn Heer te kunnen ontmoeten:
a. 'amal shâlih - het doen van rechtschapen werken, dat wil zeggen goede daden zoals Rasûlullâh ze heeft voorgedaan.
b. iklâsh - dat wil zeggen, dat deze daden alleen voor de tevredenheid van Allâh mogen zijn.
Met andere woorden: deze getuigenis is het startpunt van elke muslim waarop hij al zijn daden in zijn baseert, als individu of als lid van de ummah.

De kern van de ommekeer
3. Als we begrijpen dat de šahâdah de  essentie van de islamitische leer is, dan volgt daaruit het besef dat de šahâdah de zogenaamde ‘asâs al-inqilâb’ is: de essentie van de omwenteling, namelijk de ommekeer in ons leven. Allâh heeft hierover volgende verzen geopenbaard: “Voorwaar, Allâh zal een volk niet veranderen totdat ze veranderen wat in henzelf is.” (Q 13:11)

“Dat is omdat Allâh de zegen die Hij een volk heeft gegeven nooit zal veranderen tot ze veranderen wat in zichzelf is. En Allâh is de Al-Horende, de Al-Wetende.” (Q 8:53) Dit betekent dus dat verandering vanuit onszelf begint. En de enige juiste basis voor verandering berust op de kalimatu’š-šahâdah, of het nu een verandering van onszelf als persoon betreft of een verandering van ons als groep of gemeenschap. Dan verandert onze denk- en handelwijze van jâhilî (onwetend) naar islamitisch. De overgave van mensen aan andere mensen verandert naar overgave aan Allâh, we veranderen van zwak naar sterk, van minderwaardig tot hoogstaand, enzovoort. Uiteindelijk blijft er niets onveranderd, want we veranderen op elk gebied:

“Zeg: Mijn shalât en mijn offer, mijn leven en mijn dood zijn voor Allâh, de Heer der Werelden.” (Q 6:162)
Allâh bedoelt hiermee, dat er geen enkel aspekt is dat niet geraakt wordt door de verandering die in gang is gezet door de šahâdah. Deze verandering betreft ook de status van de mensen: intellectueel, spiritueel en sociaal. In de Jâhilîyah (periode van onwetendheid voor de islâm) hadden veel mensen een lage sociale status zoals bijvoorbeeld de slaven, maar door de islâm verhief hen naar een hoge status en groot aanzien.

Zoals in het geval van Ibn Mas'ûd. In de Jâhilîyah werd hij gezien als een waardeloos iemand en had hij geen noemenswaardige sociale status. Toen hij muslim werd veranderde zijn inzicht in de šahâdah hem volkomen. Zijn status veranderde van een niemand naar een hooggewaardeerde man van grote kennis en intelligentie en hij werd tot een vraagbaak met betrekking tot tafsîr (Qur’ânuitleg). Hij werd zelfs tot een van de zeven meest vooraanstaande figuren van Madînah, gelijk aan 'Abdallâh ibn 'Umar, 'Abdallâh ibn 'Abbâs en 'Amru bnu’l-'Âsh: allemaal mannen die van de nobele stam Qurayš afstamden. Hetzelfde gebeurde met een groot deel van de vroege islamitische geleerden. Velen van hen waren ooit slaaf geweest, maar hun šahâdah veranderde hen in de meest gerenommeerde geleerden van hun tijd. 

De verandering kan zich niet alleen in een persoon voltrekken, maar ook binnen een groep of gemeenschap. Het beste voorbeeld hiervan is de eerste generatie muslims. Veel van hen hadden vroeger nauwelijks enige status: ze waren slaaf, arm, wees of alleenstaande vrouw. Deze groep mensen veranderde door de getuigenis van een zwakke gemeenschap in een geduchte en sterke ummah die haar vijanden ontzag inboezemde en die tevens in staat was de rahmah (barmhartigheid) van de islâm op aarde te verspreiden. 

Andersom geldt, dat als een gemeenschap het belang van de šahâdah niet kent, dat ze dan vernederd zullen worden en arm en achterlijk zullen raken. Ze zullen op het oog de voorhoede en de leiders zijn, maar in feite zijn ze de slaaf van anderen. Deze mensen hebben geen macht over hun lot, zoals nu met de wereldgemeenschap het geval is: niemand weet waar het naar toegaat.  Dus door goed en grondig te beseffen, dat de šahâdah een ommekeer (inqilâb) teweeg kan brengen, individueel of als ummah, gaan we begrijpen dat de šahâdah de sleutel is tot een succesvolle verandering van laagheid naar macht en een totale ommekeer zoals we uit de wereldgeschiedenis kunnen leren. 

De werkelijkheid van de da'wah
4. De vierde reden waarom de šahâdah zo belangrijk is, is het feit dat de getuigenis de haqîqatu da'wah ar-rusul (werkelijkheid van de da'wah [oproep tot het geloof] van de profeten) vormt. Dat houdt in dat alle profeten, van Nabî Âdam a.s tot Nabî Muhammad s.a.w, allemaal dezelfde boodschap verkondigden. Namelijk ‘Lâ ilâha ill Allâh’: de tawhîd (Eenheid) van Allâh tegenover širk (afgodendienst). Of zoals staat te lezen in de Qur’ân:

“En Wij hebben voor jou (Muhammad) geen profeet gezonden of Wij openbaarden hem, dat er geen god is dan Ik, dus aanbidt Mij.” (Q 21:25) Sayyid Qutb becommentarieerde dit vers zo: tawhîd ofwel de eenheidsleer is het onveranderlijke en eeuwige basisprincipe van de 'aqîdah (geloofsleer) sinds Allâh Zijn boodschap naar de mensheid gestuurd heeft, net als de boodschap dat de mens de dienaar van Allâh is en niets of niemand daarnaast mag aanbidden. 

Dit blijkt ook uit de sûrahs Al-An'âm (sûrah 6) en Hûd (sûrah 11). Deze gaan voornamelijk over die ene gelijke boodschap van tawhîd en 'ibâdah (aanbidding) sinds de schepping van de eerste mens. Alle profeten hebben de boodschap van hun voorgangers bevestigd tot aan de laatste rasûl (boodschapper): Muhammad s.a.w. Dit is onze eeuwigdurende erfenis en als erfgenamen van deze boodschap zijn we verantwoordelijk voor zijn bescherming en moeten we zorgen dat hij stevig verankert raakt in de mensheid. We hebben de plicht te getuigen van de juistheid van deze boodschap (risâlah) die door hem en alle vorige profeten werd uitgedragen. 

Een groot voordeel
5. Het laatste belang van de šahâdah is de ‘fadlâ’il 'azîmah’ (grootse voordelen) die het brengt. Allâh belooft de gelovigen: “En breng de goede boodschap naar de gelovigen, dat er voor hen van Allâh een groot voordeel is.” (Q 33:47)

Uit het voorgaande betoog is al duidelijk gebleken, dat iemands bewuste šahâdah vele voordelen met zich meebrengt. Als muslim geeft de islâm bescherming en zekerheid, een verandering ten goede en het besef dat Allâh de Enige is en de Enige die wij aanbidden en voor Wie wij handelen. En dit zal ons, zoals als bleek, uiteindelijk in šâ’ Allâh het grootste denkbare voordeel brengen: Jannah.

W’Allâhu a'lam bishawâb